17-03-11

Een miezerig picobello klein feitje

 

 

klein meisje.jpg

 

 

Het is 60 minuten na het uur waarop in het geruisloze donker de datumteller zich een cijfertje verder zet in de bevalling van une nouvelle journée, un itinéraire éternel, maar de Atheense uitgaanders met hun vlees strak verpakt leven onder de zware deken van alle beloften die een donkere nacht in zich verzwaart. Voor hen kondigt het felle ochtendgloren zich des middags aan met het gepaste gevoel van een uitgerokken pasticfolie als hoofdhuid. Ho, uren zijn uren en er mag gefeest worden. 

Met ogen vol vakantie, verheven boven het Jetairgevoel, staar ik over een gelig belicht plein vol hippe pipo's op een comfi designstoel voor zover het terras van mijn uitkijkpost tot die gedeelde ruimte behoort. Naast mij een reisgezel in ruitjeshemd, we leunen tegen de muur van snoeiharde clubgeluiden in de flashy bar achter ons, ik in nauwe rol stof die het weinige dat men aan de verbeelding overlaat, bedekt. Het is hier duidelijk niet om gezelligheid te doen: wijn voor zes metalen eurostukken per te vol gevuld glas waaraan ik voor de schijn sip, cocktails voor meer portefeuillegewicht en meer hersencellen, graafheid met je johnny gezellen als gratis supplement. Ik voel het ego over het Griekse voetpad druppen en aan mijn tenen zijn weg naar boven kriebelen tot het tintelt in de vingers die mijn wijnglas omsluiten en je mijn ogen vonkjes van volheid over mezelf ziet sprankelen. Daar draait dit circus om. Dit is onze dronken, bezonken nacht. 

Plots, als een engeltje dat opdoemt uit het niets, verschijnt ze. Ze is daar en ik kan niet om haar heen. Een engel verhult in het gelaat van een zwartharig meisje. Ze heeft grote donkere ogen en in haar blik aanschouw ik plots mijn kleine, krullebol zelf gespiegeld. Het arme meisje met de zwavelstokjes. Ze verkoopt rozen. De heersende extravagantie trekt ook de kruipenden aan om de kruimels op te likken die tijdens onze smulpartij van de feesttafel vallen. Ze heeft nog een enkele bloedrode bloem in haar tere handje en mompelt me smekend toe in de universele taal van zieligheid. Ik word kopje onder gesleurd in een zuigende draaikolk van onverdund medelijden. Een hap naar adem. De tactiek waarom men kleuters met priemende kijkers inzet als verkopertjes van allerhande prullaria raakt haar doel in de exacte roos van mijn geweten.
U zal er uzelf geen botox voor moeten fronzen, u kan mijn schuldbekentenis eigenhandig aanvullen, ik koop die rosa voor twee luttele eurootjes en een gratis zucht van verluchting. Ik ben naïef geboren, maar dat is snel ontworteld; ik weet dat het geld niet voor haar schoolgaan is, maar het prinsesje kan eindelijk in haar roze bedje kruipen. Met een lichte krul in mijn glinsterende lippen zie ik haar -op een manier dat enkel kinderen dat kunnen- naar een groepje volwassenen (ouders?) even verderop toelopen. Mijn geweten sist geblust nog zinderend na; mijn goede daad voor vannacht. 
In een tweede plots en tot mijn schuifelende verbazing is mijn zesjarige evenbeeld na een paar keer draaien van de wijzers terug met een drie- of viertal ontdoornde snijbloemen in haar polletjes. Ik verontschuldig me. Bullshit! Ik heb genoeg geld in mijn dikke, roze geldbuidel om haar van een hele serre gekweekte planten te bevrijden. Uit een geconditioneerde respons doe ik een deliquente poging tot afwijzing, als daar al een humane en vriendelijke versie van bestaat. Hier heb ik geleerd de geldgrens te trekken; ik heb je prul gekocht, hoepel nu maar op en schraap mijn holle, pasverworven ego niet af met je confronterende realiteit. Ik voel mijn bonkende hart verzwaren terwijl mijn meisje blijft staren, smeken en mummelen. Mijn compagnon dringt erop aan dat ik haar moet negeren. Ten einde raad en met hangende ogen richt mijn blik zich een paar seconden op de wazige verte. 
Dan schiet een kramp in mijn hartspier en splijt, stokt mijn teug ingeademde Griekse lucht. Met mijn ischemisch binneste overspoelt een woelende surfersgolf van bittere zelfwalging me. Ik ben uitgerust met een paar praktische oogkleppen, maar ze reiken niet tot aan het puntje van mijn neus, geen 180 graden in de ronde. Ik wil geen steenkoud onmens zijn en goddank kan ik het niet. Machteloosheid doordringt mijn slappe spieren als ik met even grote puppyogen haar zachte gezichtje wederom opzoek. 
In mijn gedachten spreek ik haar in moederlijk Grieks toe, neem ik haar op mijn schoot en trakteer haar op een kinderfruitsapje uit een drinkkarton dat ze met een rietje kan leegslurpen. Daarna draag ik haar naar de taxistandplaats en bij aankomst aan ons hotel zijn haar oogjes reeds vredig dichtgevallen. Ik wil haar slaperig haar pyjama met treintjesmotief aantrekken en naast me naar dromenland zingen. De volgende stralende ochtend op Mykonos beloof ik haar plechtig dat ze zich nooit meer vernederend in het vijandige Gazi moet wagen om geld op te halen in een verdoken vorm van bedelen. Van mij krijgt ze het zoete paradijs dat elk klein meisje verdient. 
De realisatie dat dit -mede door mijn eigen lafhartigheid- nooit zal gebeuren, frappeert mij daar in die discodansnacht. Mijn prille ontmoeting wordt bruusk verstoord door een ober werkzaam bij onze zelfverklaarde fashionista stek. Zijn gesticulatie behoeft geen ondertitels; een hond jaag je overal hetzelfde weg. Orders van de uitbater: afgezette klanten beschermen tegen schooiers. Ik zou maar eens opstappen naar die oplichters van hiernaast!
Het feetje lost op in de roerige Atheense nacht en mijn muur van gedachten stapelt zich verder op.
Hoe kan het dat iedere hipster hier voor negen euro's een cocktail drinkt terwijl er zich voor hun ogen gevaarlijke, nachtelijke kinderarbeid afspeelt?
Hoe is het mogelijk dat ik geld in deze ontspanning pomp alsof de munten aan de bomen groeien hoewel ik niets voor haar ga (kan?) doen?
Ben ik terug getijdmachiend naar Charles Dickens of is dit werkelijk 2010, het nieuwste glimmende millennium?
''Ja, maar die ouders buiten hun zelfgeproduceerde kroost schaamteloos uit...'
''Ja, maar in Griekenland leven veel arme Roma...''
''Ja, maar de Griekse regering is failliet en zinkt steeds verder in schulden aan de EU...''
''Ja, maar onze tijdsgeest is compleet overhoop gehaald...''
''Ja, maar dat kapitalisme in Wall Street serveert enkel de bovenste opperlaag...''
Plant de schuld op wie u wenst; het kan me niet schelen naar wie u de focus verlegt om een zondebok te kruisigen. Waarschijnlijk zijn we allemaal medeplichtig in zowel ons doen als in ons laten, evenals door de geschiedenis die we meedragen in onze genen en die deze vreemde wereld kneedde tot de gekte die we vandaag aanschouwen. Die evenredige verdeling van schande en schaamte heft alle boete op. Makkelijk is dat.
Het feit. Het feit waar ik mijn weldoorvoede vinger op wil drukken tot hij splijt , is dat er een prachtig, fragiel meisje van hooguit zes zonnige lentes met bolle, koolzwarte ogen en warrig, kort nachtzwart haar het ''zinnebeeld van liefde'' dient te verhandelen aan liefdeloze schapen. (De kruimels mogen rotten zolang ze maar niet voor hen zijn.)
Dat, ladies and gentleman, is de onomstotelijke feitelijkheid die ik, zoals zovelen een stille idealist, u wil meegeven, waarvoor mijn laatste sprankel onverteerde menselijkheid een traantje plengt en ik mijn gebalde vuist op het eikenhouten tafelblad sla. 
Inwendig met de lippen loodrecht op elkaar.

''It is easier to fight for one's principles than to live up to them.''  
~Alfred Adler

22:30 Gepost door Virginia in Actualiteit, Gedachtenspinsels | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

Commentaren

Op de één of andere manier kan ik het hele tafereel zo voor me zien ;)
Het is echt ongelofelijk hoe jij je ideeën en gevoelens keer op keer zo weet te beschrijven dat iedereen met je mee kan denken en voelen. Vurige woorden uit een gouden hart.

Keep it up!

W.

Gepost door: W. | 20-03-11

De commentaren zijn gesloten.