06-02-11

We all end up with half faces. A look upon history and the mankind it has driven.

 

P1040430.jpgP1040431.jpgP1040432.jpg

 

 

 

I am standing in a Greek museum on Samos or another one of 3000 islands in the Aegean. The museums here all look alike anyway; with a big sign that says that the EU gave the Greek a nice cheque to decorate their ancient treasures with wheelchair lifts and marble floors. The sign is in front of every insignificant museum you enter, whether the town is touristy or not, as if it’s sort of a repayment, the acknowledgment that it’s not their treasure. I must say I don’t mind; Greek antique is holy, it couldn’t be preserved too good. So again: I ‘m standing there and I look at another of the tens of hundreds of thousands of forgotten statues that I saw passing in front of my eyes those three weeks on Greek soil. Still, this one doesn’t pass in a glimpse or in a hasty photo; it fascinates me like unknown discoveries in quick visits of another museum sometimes do. I’m looking at the face of what clearly had to depict a woman, but time has made it a ruin, leaving only half the face. At once, sometimes this happens to me, a sentence pops up in my head, one I luckily will not forget: ‘’History all leaves us with half faces.’’ It might not sound right in English, it’s translated from Dutch, but there’s no other way that says it right. I let the sentence roll through my head in a brainwave a second time and I love the way it tastes. There are sentences that just make sense, inexplicably. Though they may not make real sense and yet in that little sniff of non-sense, they reveal something, which captures a whole lot of understanding, a bundle of wisdom, ‘’rightness’’.  You can’t explain it; you can only feel it, feel it! Counts for all of life’s best tricks.

 

I will rethink this phrase over and over (I can’t get enough of the syllables when I create linguistic pottery that’s actually good) and it stays fresh and clear. I think it is a great title to an academic publication by some professor who tries to hide his serious work behind a title that might get everybody to start the first page and to perhaps read even further. But I’m not an historian and I might have a look upon our condition humaine that swings between the Buddha and Jesus version about that there are so many good people that keep the world on turning, there’s hope and everybody just needs love and Rorschach’s vision from Watchmen on the other hand of the doomed and evil billions of ants killing and torturing; that powerless, sick feeling. It depends by the daily fait divers, the people you meet in a flash and the mood. Even if my cynic thoughts are proven wrong every single day by the wonderful, simple beauties I witness, on the other side there are also always proven by a message from outside my bubble or –scarcely- inside of my pretty little world; the image of failing, dreadful species.

The body full of cancers resuscitating itself vigorously with every new sunrise vs. the pure and wide ocean with a few poison drops that do not affect its peaceful stream at all.  

It has been said for a long time that humans made history and although some people surely had their impact it looked more like a blind man throwing paint at a canvas than Vermeer depicting a pearl. We all throw our drop on the paintbrush, willingly or not, on the big drool of past souls and still it always surprises me that in this total confusion of merely things, those random machines actually function. The law of entropy tells us that chaos is much easier as a result than order (because it has a far greater change of existence) and however, my dear, it works. There is network for fixing my bike, teaching me physiology, feeding me, making sure I have toothpaste… It’s remarkable that in all this chaos, this wild stream of an unguided river that rages to an unknown next point, in all this mess, there are quiet organised places, oases of rest and peace. Without all the paranoia, the heartache, the anger, the false hopes and the weakness or with just a sparkle of all that.

Back to my stone cold, carved, half-faced woman. Preserved, yet destroyed, forgotten, yet here for new discovery. A ghost of a past which we will never know, no matter how many of its stones we recapture from the sand with the gentle movement of an archaeologist’s brush. She tries to tell me something, but although I have studied her alphabet, have laid the same words in my mouth as she must once have, we cannot communicate for too much milliseconds divide us, too many gulfs have raised up from the shallow water since she last said the words I hear myself saying. Nevertheless, we do not hear the same words, because we do not have the same ears.

She whispers to me, in a self-created wind of whisper, that you can stumble to live on in history, to mean more than the couple extra genes you mixed, to mean something to someone somewhere sometime, but that your splash of paint is always just half a face. 


 

22:11 Gepost door Virginia in Essay, Filosofie, Gedachtenspinsels | Permalink | Commentaren (1) | Tags: history, greece, ancient |  Facebook |

26-07-10

Essay: De afgedankte halfgod in de huiskamer

 

televisie.png

‘’He’s not dead yet!’’ Na een paar extra kogels, afgevuurd door een Amerikaanse soldaat, waarbij het lichaam griezelig heen en weer schudt – of is het de stuiterende camera?-, is de dood van de Iraakse gevangene of opstandeling een onweerlegbaar feit.

Vijf minuten later volgt het einde van het zevenuurjournaal. Wat zijn wij verondersteld hiervan te denken, wij Westerse Belgen? Wat vinden mijn ouders met hun 40 jaar wereldervaring hiervan? Wat is de bedoeling van het shockeren van de twaalfjarige die ik op dat moment ben?

De impact van het in breedbeeld tonen van moord op mijn beperkte wereldje, op het bewuste, maar vooral op het subliminale beeld dat ik van Irak zal scheppen, is genadeloos. Zonder gefundeerde feiten, ellenlange studies geschiedenis en politicologie of verre reizen, krijgen we in vlagen opgeraapte fragmenten naar ons hoofd geslingerd. We zijn verondersteld een gefundeerde mening te vormen aan de hand van de clipjes die een paar journalisten selecteren. Zij hebben de gevaarlijke macht om de massa te doen geloven al wat hen dunkt. Die menigte heeft nog iets te zeggen ook en honderdduizenden kelen jouw mening laten verkondigen, er gaat niets boven. Vraag dat maar aan menig dictator.

Ik kan het Midden-Oosten afschilderen als een vreemde woestijn vol terroristen waar we niets te zeggen hebben of als een verwesterende verzameling van oliestaten waar Islamisten op hun retour zijn; als een gekkenhuis of als een populatie van gewone mensen.

Het is een kwestie geworden van knippen, plakken en smakelijk serveren, het liefst met een bekoorlijke soundtrack. Zou een woedegolf zich tot oorlogsstorm transformeren,dan wijzen we waarschijnlijk onze verantwoordelijkheid af  en focussen ons op de media. We zullen hen ervan beschuldigen aan beide kanten onbegrip te hebben gecreëerd. Ze zullen ons riposteren dat ze ons voorschotelden wat onze -door geweld afgestompte- hersenen zo graag wilden zien.

Onze aandacht was zo verzwakt dat enkel realistische marteling ons deed opschrikken vanuit de roes waarin we verkeerden terwijl we het nieuwsgesuis en geruis aanhoorden. Na 9/11 riep de woedende volksstroom om een totaal tapijtbombardement van dat Oosterse gebied. Wie gaf erom of er onschuldige mensen woonden? Onze familie was dood, ons land aangevallen en onze vrijheid bedreigd. Het was onweerlegbaar te zien op de beeldbuis hoe die vreemden daar feestten, feesten deden ze!

Aangespoord door huilende -en achter de schermen zich in de handen wrijvende- presidenten, zetten we de aanval in. Nu, jaren later, zijn de gemoederen bedaard, de doden reeds lang onder de grond en toch blijven we graven delven, want de jongens die zich daarheen laten vliegen, komen in kisten terug. Ons verstand kantelt en, godzijdank, komen er ook andere impressies uit de oorlogsregio; mensen met groentewinkeltjes, schoolkinderen en de speculaties omtrent de oliewinning. Onze stemmen klinken de tegengestelde richting uit, maar het bijennest waar we inzitten, is haast niet meer te ontwarren.

Het Midden-Oosten is een typevoorbeeld van mediazinspeling op ons besef en onze kennis, bijna een clichématig paradigma, waarin goed te zien is hoe in zoveel ‘waarheid’ de waarheid uiteindelijk verdrinkt.

‘’Our daily bread’’, de stille documentaire gefilmd in reflexive mode over de weg die ons voedsel aflegt, bevat het hoogste percentage aan realiteit dat in de beeldbuis past.


Als dit aannemelijk is en in de veronderstelling dat we pas bij het bewijs van objectiviteit onze acties afwegen, waarom eet dan nog niet iedereen vegetarisch/biologisch? Indien ik neerpen dat ‘we’ roepen, doel ik natuurlijk slechts op een paar kelen die van tijd tot tijd een gesmoorde piep laten horen. De protesten tegen het onverdoofd castreren van biggetjes interesseren de massa gewoonweg niet. Die kotelet op hun bord stoot geen snerpende gilletjes uit en je eigen ‘’ lcd Philips ‘’ is met een druk op de knop overgezet op ‘’Thuis’’.

Het aanbod op die dominante link met de wijde wereld zou een weerspiegeling behoren te zijn van de (des)interesses van de doorsneemens. Iedereen klaagt erover dat er niets op tv is en op verveelde momenten, al zappend door het mondiale zenderaanbod op de satelliet, beaam ik dit. Sterker nog, ik maak me bijna zorgen over de condition humaine met die tonnen aan beeldafval die door de ether zweven, alsof de programmamakers hun persoonlijke vuilbak hebben verschoond en het huisvuil -bij gebrek aan een betere stortplaats- dan maar in hun shows verwerkten. ‘’In Beverley Hills, they don't throw their garbage away - they make it into television shows.’’, grapt  Woody Allen en hij kan het weten.

Wat met zijn onvervalste -heden in HD- beelden beloofde tot het ultieme medium uit te groeien, is hier beland als goedkoop entertainment. Na zich ’s avonds  op de zetel te hebben neergeploft, heeft geen mens zin in congorebellen, ‘’De Slimste Mens’’ is desalniettemin wel te smaken.

‘’The war between being and nothingness is the underlying illness of the twentieth century. Boredom slays more of existence than war.", stelt Norman Mailer, Amerikaans schrijver.

Zo is dat profetische doosje een modern Colosseum gebleken; niets meer dan handig vermaak. De evolutie ervan is in een impasse geraakt. Na een hectische werkdag confronteert ons soezen in moeheid ons met de vaagheid van dit verveelde bestaan. Op dat moment springt dat kastje aan en verlicht het de doorligpijnen. Youp Van’t Hek illustreert dit eigenhandig  met het archetype van een bedaagd vrouwtje met een wijsheid die wij in de mantel van complexiteit als simpel ervaren. Het omaatje vertelt hem over een schilderijtje dat boven haar scherm prijkt. Telkens als de aanblik van Gaza en Irak er teveel aan worden, richt ze haar blik op de gebogen vrouw met haar hoofd in haar handen boven haar op zoek naar troost. Ze biecht ook op dat ze dat de laatste tijd frequenter doet, tot op een hoogte waar ze het kunstwerk meer aanschouwt dan de programma’s. Na het overlijden van de 87-jarige erft hij het kunststuk en bemerkt een van schaamte in elkaar gedoken vrouw. Hij vraagt zich oprecht af: ‘’Wat is er toch gebeurd? Hoe zijn we zo ver gekomen?’’

Wat heeft televisie nog voor toegevoegde waarde in ons leven, in tegenstelling tot wat men oorspronkelijk voor ogen had? De functie van pijnstiller? ‘’Television is an anesthetic for the pain of the modern world.’’ , stelt Astrid Alauda. De geloofwaardigheid daalt steeds verder in het negatieve, zodat we zelfs informatieve docu’s niet meer vertrouwen, nu ook dat genre (deels) doorspekt is met opinies.

Het subjectieve doel van de filmmaker en de onvermijdelijke invalshoek; op een onoverzienbare aardbol, zo verwarrend complex, kan men iets enkel begrijpelijk voorstellen door het te belichten met een spot, een hopeloos gekleurde spot en door middel van selectie, verdunning en vergeten. Je kan de brave nieuwsmakers hun knip- en plakwerk vrijwel vergeven.


Natuurlijk daglicht is ver te zoeken in de jungle van de journalistiek, die zich in talloze takken heeft opgesplitst. Het deel dat de deontologie in de vuilbak kiepert en zich focust op het flitshuwelijk van Britney Spears lijkt een vrij recent fenomeen van een handel in roddels, hoewel het spijtig genoeg lijkt alsof niemand deze snapshots wil zien. Gek dan dat die fotograven blijven klikken en week na week de magazines over twee maal niets de winkelrekken doen uitpuilen.

Beroemd worden zit niet langer in het rek van de ongrijpbare dromen, maar belandde in het grabbelvak met kortingsartikelen in een maatschappij waar ‘’reality tv’’ onder de noemer van talentenjachten en huilerige dieet-, nanny-, praatprogramma’s aan ieder de fameuze -en tegelijk zielige- ‘’15 minutes of fame’’ van Andy Warhol schenkt. Wie enkel anorexia en een regionale talkshow op zijn kerfstok heeft, haalt hiermee genoeg in huis om een streekbekendheid te worden. Komiek Alex Agnew beweert in zijn show dat hij zijn nageslacht een dreun zal verkopen onder het opvoedadvies ‘’Een beetje meer ambitie, godverdomme!’’ op de dag dat ze als toekomstdroom het BV-schap koesteren.

Wanneer zulke mopjes geschater in een zaal Vlamingen opwekken, dan mogen we besluiten dat achter de façade van geestigheid een portie aan waarheidsgehalte ruimschoots verborgen zit.

De onaanraakbaarheid van iconen is passé, hun voetstuk opgeborgen. In een vlaag van massale mediageilheid waait er een wind van drugs, alcohol en seksschandalen door Hollywood en de degradatie tot publieke schandpaal is een verrassend gewilde, lucratieve bezigheid. De massa derderangs, wannabe fashionista’s en spierenbulkers hebben gezamenlijk de context zo stevig uit het woord ‘roem’ gerukt dat het niet langer de vraag is wie in de showbusiness de iconen met Marilyn Monroeallure zullen zijn, maar of er überhaupt uit de snelstromende vloed aan pseudobekendheden een gezicht aan de haken van ons geheugen zal blijven hangen.

Iedereen die evenveel scrupules heeft als een marter en bijgevolg niet omkijkt voor een lijntje wit poeder op tijd en stond en een peperdure, geldkloppende rehab(ilitation) achterop, verzekert zich van een wekelijks kiekje op ‘page six’. De ‘flashes’ waarmee dit pulpnieuws flikkerend wordt voorgeschoteld (zie de klikkende paparazzi), zijn een uitwaseming van elke racende vorm van berichtgeving op dit postmoderne tijdsstip. De ‘moderne mens’ -wat een verschrikkelijke term-, hoe geëvolueerd dat ook klinken mag, fronst om geconcentreerd minuut per minuut ‘up-to-date’ te blijven.

‘’Whoever controles the media, controles the mind.’’, profeteerde legende Jim Morrison en hij drukte de vinger daar waar het tegenwoordig steekt. Tot dat niveau zijn de ‘’monstermedia’’ angstaanjagend opgeklommen en zijn wij als gediplomeerde zetelhangers afgezakt met dank aan sensatielust en het motto dat niet alleen ‘’sex sells’’, maar alle prikkende schandalen. Niemand die het verschil bemerkt (in kunde of wil) tussen een opgeblazen ballon en een gevuld exemplaar.

In wezen kijkdieren, zijn wij, homo sapiens sapiens, gebaat bij de hulparm van het beeldbericht, bij uitstek voor wie zijn omgeving (oppervlakkig) durft te bekijken omdat hem dat boeit of om te filteren met het doel zijn gelijk bij te spekken. Het eerste prachtige doel -uit pure belangstelling- is overboord gegooid door de hiervoor benoemde redenen tot vermaak, de tweede -het aanvullen en vastschroeven van je mening- leeft ook nu nog.


Wanneer ik de omroep bezie, laat ik de golf van beeld en geluid lusteloos op me afkomen. Deze overspoeling verkoelt mijn van opgedane kennis nagloeiende en als een spons verzadigde geest en laat spaarzaam druppeltjes achter in mijn geheugen. De functie bestaat uit slapen met ogen open en verantwoordt zich zelden in het bekijken van cultfilms, klassiekers -al spreken we hier wederom binnen de vermakende sector- en documentaires waar mijn leervermogen zich aan opkrikt, zoals onlangs een eerlijke, Britse vrouw die mij een aidspatiënte uit Zimbabwe voorstelde.

Het merendeel van mijn tijd staar ik naar een kleiner scherm, namelijk de pc, een jonger kindje dan zijn zusje, de tv, maar met een minstens even van voorspellingen omgeven geboorte.

‘’Where a calculator on the ENIAC is equipped with 18,000 vacuum tubes and weighs 30 tons, computers in the future may have only 1,000 vaccuum tubes and perhaps weigh 1.5 tons.’’, beweerde iemand in de maarteditie van het tijdschrift ‘’Popular Mechanics’’ uit het jaar 1949. In 1979 sprak Ken Olsen: ‘’There is no reason for any individual to have a computer in his home.’’ Toen een serieuze stelling, vandaag een mopje. Natuurlijk kan je meneer Olsen en zijn standpunt vergeven, niemand had immers gedacht dat het zo’n vaart zou lopen. In het licht van onze serieuze standpunten en met het idee dat deze in de toekomst als uiterst lachwekkend zouden worden bekeken, attendeert het ons op voorzichtigheid van bewering, althans  sommigen ervaren dat zo.

Even later leek het internet het walhalla van alle kennis en connectie; de wereld zou zich onderling verbinden tot in het oneindige, landsgrenzen zouden vervagen en globaliteit zou aan de orde van de dag zijn. Alhoewel ik zoekmachines op mijn blote knieën mag danken voor hun hulp, ben ik tezelfdertijd afhankelijk van de informatie en zelfs lichtjes verslaafd aan sociale netwerksites, zeker wanneer verveling haar slag slaat.

Internet is een veel vertakter medium dan dat restricte, platte doosje en biedt alles aan wat deze planeet in haar mars heeft. Het gevolg: de verwarring stijgt exponentieel met het aantal sites, op het web zijn de afbakeningen voor eens en altijd zoek.

Net zoals tv bleek het wereldwijde web zich niet te ontwikkelen tot wat men dacht te voorzien en biedt het naast tal van oplossingen en ongekende mogelijkheden ook nieuwe vraagstukken en problemen. Het hijst bovendien een hele hoeveelheid ‘’couchpotatoes’’ vanuit hun zetel en laat hen als bewegingsloze ‘’bureaustoelplakkers’’ weer los. De verschuiving naar dit jonge medium begint zich duidelijk af te tekenen in de maatschappij.

De ‘’kleine god in de huiskamer’’ zal misschien op termijn aan verheven status moeten inboeten tot die van halfgod, held of zelfs sterveling en in trend van de individualisering zal men zich wellicht immobiliseren en als een spin vastklampen aan dat ‘’gouden web’’ dat ons de wereld virtueel samenvat en daarvoor niets meer eist dan een klik.

Feit is dat ook de media hier niet aan grip zal inboeten en ons honderden diffuse video’s zal mailen, hierbij geholpen door onszelf die hun getuigenissen neertypen in blogvorm en eindeloos discussiëren op fora. Theses geplet onder antitheses komen onmogelijk tot synthese. De waarheid destilleren zal zijn weggelegd voor ieder met een ontembare drang die zich eraan wil wagen, want zoals Descartes reeds vijf eeuwen vroeger wist, ligt deze onomstotelijk in de diepte.

Zonder zich er een snars van aan te trekken, steekt ze haar besnoerde tong uit en zingt zagerig: ‘’Nanana, jullie kunnen moeilijk mee.’’


Laat dat nu net het gevoel zijn dat niet slechts de oude van dagen treft, maar ook steeds meer verdwaasden die zichzelf gedwongen zien tot terugtrekking.

De lawine aan choquerende netvlieslasbeelden is er eentje om met lede ogen aan te zien. Iets meer gezien van wat de oneindige aarde in haar mars heeft, ouder, maar niet veel wijzer, hef ik mijn schouders op bij de dood van die Iraakse gevangene. De verklaring ontglipt mij, als er al een plausibele justificatie voor het uitzenden van woestijnoorlogen te vinden is. Niet dat ik er veel gedachtenruimte aan heb geschonken, ik weet alleen dat er een ziel minder trappelt. Waarom? Niemand die het weet, de moordenaars nog minder. De beelden vloeien verder.

Dat goddelijke toestel is ons een waar panta rei gebleken, een Heraclitische rivier van een voortdurende maalstroom waar men nooit tweemaal instapt. In tendens met de hedendaagse mode vervuilen we haar schaamteloos.

De ‘visie’ is uit televisie en we houden in onze lege handen een ‘tele’ over, een kijken met die beteuterde blik naar die stralende god die we van zijn hooggetroonde berg naar de aardse ‘Vanity Fair’ hebben gesleurd om ons al dansend te dienen. De afgedankte halfgod mag zich scharen in haar kleine vaste stek in de huiskamer. Vanaf daar slaat hij met leden ogen de nieuwgeborene gade die zich in geen tijd tot rebelse tiener ontpopte. Achter dat woelige droomuniversum van digits en bytes speelt zich een schouwspel af dat onze zeitgeist perfect omkadert.

Terug naar het prille begin, de ‘Sitz im Leben’ van de zenderprofeet. Philo T. Farnsworth had grootse plannen met zijn spiksplinternieuwe vondst; ze zou analfabetisme oplossen en oorlog tot het verleden verbannen. De proximiteit van het meubelstuk zou het complete spectrum in zuivere vorm tot bij ons brengen. Bij haar stille 50ste verjaardag is Farnsworth’ wonderkind opgroeid tot een bebaarde, vervuilde slons, door ons op de postmoderne hoop gadgets gesmeten, zonder enige blijk van emotie beklad en afgedankt.

’The television,

that insidious beast,

that Medusa which freezes a billion people to stone

every night, staring fixedly,

that Siren which called and sang and promised

so much and gave, after all, so little.’’

~Ray Bradbury, The Golden Apples of the Sun

 

12:18 Gepost door Virginia in Essay, Filosofie, Gedachtenspinsels | Permalink | Commentaren (1) | Tags: essay, televisie, media, internet |  Facebook |