16-05-11

De liniaal van de juistheid.

measure.jpg

 

Kent u dat voorval? U bent zo een van die brave middelbare burgers of jonge, nog naïeve idealisten die om de een van de honderden gerechtigde of ingestampte redenen besluit om een groene auto te kopen. Of een andere moralistische maatregel in uw leven te integreren. Keuze staat hierin altijd vrij. U stort uzelf met kinderlijk enthousiasme op uw Jesusdaad en toch stuit u vanaf de eerste klinker waarmee u het heugelijke feit meedeelt aan een soortgenoot op een onverbiddelijke muur van verzet. 

‘’Maar alee, Jos, denkt ge nu echt dat uwen auto iets gaat veranderen aan het klimaat. Terstond, der is ni veel subsidie op en zoiets kost geld. Waar kunt ge die biobrandstof nu krijgen? Die modellen zijn ook ni zo mooi, he… Koopt toch nen mooien BMW met da geld, joenge, ge hebt der voor iet voor gewerkt.’’ 

En deze cynist blijkt geen eenzame zonderling te zijn, meer zelfs, uw omgeving zit er vol van. 

Nog erger: u ondervindt dit niet enkel iedere keer u een mede-enthousiasteling probeert te ontdekken, maar ook bij iedere karma-update die u betoogt; een goed doel steunen, vrijwilligerswerk, sport, gezonder eten, afval piekfijn sorteren, uw uitstoot verminderen,… 

De harde kritiek luidt nochtans iedere keer dezelfde; hoe u eigenlijk uw tijd, geld en moeite in een nutteloze bezigheidstherapie steekt aangezien uw microdaad noch landelijk, noch globaal een pico mierendrol aan verschil zal maken. Daarbij hebt u hoogst waarschijnlijk niet de juiste competenties om te slagen en bent u dus gedoemd hopeloos te falen met als gevolg dat u depressief en uitgeput terug zal moeten vervallen in uw oude gewoonten. Waarom dan die overtollige cirkelbeweging maken? 

Meestal vindt deze belezing plaats in lagere school bewoording voortreffelijk geïllustreerd met een lichaamstaal die zelfs een blinde vertaalt in ‘’Ha, loser!’’. 

Voordat u goed en wel uw doel en plan hebt uitgezet, wordt u na een luttel zinnetje onderbroken en volgt een preek die niet moet onderdoen voor degenen waarmee men vroeger bekeerlingen overtuigde van het feit dat de Herder weldegelijk ook hun redder was. 

U buigt het hoofd en betuigt spijt aan wie denkt uw meerdere te zijn voor uw torenhoge hubris. Met de mond vol tanden kijkt u met puppieogen opnieuw uw prachtige plannetjes door. Niet dat u schuimbekkende massa’s verwachtte als u actie ondernomen had, maar deze aftandse kritiek; nein, danke schön. 

Ik smeek u; laat al deze knarsentandende jaloezie geen haartje verschil maken in uw stralend bezieling! Die ‘’goede raad van Tante Kaat’’ is niets minder dan je reinste afgunst omdat men zich pijnlijk bewust is van het eigen onvermogen en falen van moed om zelf de Barmhartige Samaritaan te (willen) spelen.

Indien u echt waardevolle beraadslagingen wenst, wend u dan tot uw dierbaarste ‘’circle of trust’’; die paar familieleden en dat paar zielsvrienden die u met uw leven zou toevertrouwen. Zij zullen uw heldere straatlamp zijn op de weg naar uw opzet, de vingers om uw ogen wijd open te sperren op zoek naar hindernissen en nooit tegendraads gewicht spelen bovenop uw lasten. 

Maar hoe rekent u dan toch af met die hordes aan lastigaards? 

Hiertoe introduceer ik met trots: de liniaal van de juistheid. Vanaf vandaag gratis verkrijgbaar bij het kant-en-klare pakket mondigheid met retorisch fundament. Ik zal dit vrij abstracte bedenksel even in een strakkere denkvorm gieten met een exempla gratia. 

Sinds een maand of zeven behoor ik tot de soort der koppige, niet half-half (‘’ik eet nog wel kip!’’) vegetariërs. Deze morele keuze staat niet op mijn voorhoofd getatoeëerd en ik haat moraalridders die hun zelfverklaarde zaligheid van de daken schreeuwen en eenieder veroordelen die niet tot hetzelfde heilige huisje bidt. Nochtans vragen begrijpelijkerwijze heel wat personen waarom ik een ‘’veggie’’ wezen ben geworden. Ik moet bekennen dat ik mijn voorgemaalde uitleg zelf al protserig vind klinken; plus het feit dat mijn beslissing op staande voet penibel in bewoordingen te gieten is. 

Hoewel een majoriteit met (voorzichtige) lof of bewondering reageert, slaat ook hier een onzeker deel af op de weg van de tomeloze afkeuring. Of ze hun bezwaar nu uiten omdat ze vrezen dat ik op hen neerkijk en dan maar besluiten om mijn berispende blik voor te zijn met een eigen blik van veroordeling, of ze decideren dat ik te ver ben afgedwaald op het pad van de ketterij van onze gehaktballencultuur, dat blijft mij weleens in het gewisse. 

Desalniettemin, de commentaar ijlt altijd hetzelfde: vleeseten is natuurlijk en noodzakelijk (als trouwe volger van mijn blog weet u dat ik dit argument dadelijk neerkogel), planten leven toch ook, men gaat niet stoppen met dieren dood te maken, vlees is lekker en vleesvervangers (een geheeld foute naam naar mijn mening) zijn vies, het vlees ligt al in de winkel dus dan kan je het best kopen, legkippen worden ook geslacht, ik ben toch geen konijn (moordneigingen!) enzovoort … De molen draait rond en rond en uiteindelijk blijft er geen spaander heel van mijn ‘’meat = murder’’ parabel. 

Je zou terstond vermoeden dat mijn vals gestudeerde, carnivore medemens heel wat beter ingelicht is over de niet-vleesetende hippies dan de geitenwollensokkenmens zelf. 

‘’For the record’’: ik vind het geweldig als mijn mede-eters mij met nieuwsgierige vragen bestoken of een onderbouwde opmerking aanzwieren en mij daadwerkelijk de kans geven om te responderen. Het is het mij de grond in drilboren, terwijl hun IQ lager is dan dat van het edele varken, waar ik gebalde vuisten van krijg. 

Het primaire defensiewapen is het onverbolgen negeren. Wanneer men in de toon van de vraagsteller geen spoortje oprechtheid ruikt, laat men de woordenwisselingzoeker best professioneel links liggen. Ikzelf spaar mijn energieopslag gaarne voor heugelijker en dringendere zaken. 

Indien men geen kans op ontsnappen gunt en tot weerklank dwingt, is er de optie om de questionnaire terug te kaatsen. ‘’Wat denk JIJ dat mijn motivaties zijn?’’ Aangezien de potentiële aanklager uw reactie al voorgevormd heeft, kan je hem maar beter zijn gang laten gaan en braaf knikken. 

Het tweede toevluchtsoord is een  tornado van een wervelwindstorm aan terugkaatsing indien u in het kleinste hoekje gedreven wordt. Hoogst amusant: men zal u nooit meer tot een woordenduel uitdagen! Laat uw verwrongen, onderhuidse woede als een einde-der-tijdentsunami over uw opponent spoelen! Spui uw opgekropte wrok en spuug hem recht in het gezicht, bonkende vuisten ahoi! Het wil niet zeggen omdat hij zo onzeker of onmachtig is om een sprenkeltje deugd op tafel te gooien dat u uw gevoel van goedheid niet mag volgen! Omdat u een pietluttig, onschuldig ideaaltje nastreeft zonder iemand kwaad te berokkenen, geeft dit hem niet het recht om u te willen ontmaskeren als een schijnbare megahypocriet! Niet daar u verder zit op de liniaal van de juistheid, geeft hem de permissie om u ervan te beschuldigen dat u niet reeds het eindpunt hebt bereikt! Want als hij, de grote sceptische criticaster, zijn goddelijk oordeel voor een seconde op zichzelf zou richten, zou hij zwijgend ontdekken dat hijzelf nog niet eens resideert aan het begin van deze metende en wetende meetlat! 

Paradoxaal genoeg worden collectief slechts twee posities op de lat aanvaard. Laat mij dit illustreren voor gezondheid: of u resideert aan het nulpunt en rookt dat de kettingroker in het niets vervalt, zuipt als een zwijn en roept ‘’over mijn lijk’’ naar elk gezondheidsadvies. Of, u plakt aan het eindpunt en kweekt uw eigen groenten in een serre, raakt de zware metalengevulde krantdrukinkt niet aan en bidt tot Asklepios. 

De middenmoot ergens daartussen moet niet hopen op aanvaarding omdat een middenweg willen vinden getuigd van een zogezegde compromistische houding, maar ook van durf om verder naar een hoger ‘’niveau’’ op te willen schuiven en durf wordt als uitdagend beschouwd. 

De tweede tegenstrijdigheid is dat de ‘’ gezondheid, m’n kloten’’- positie soms een hogere mate van appreciatie opwekt dan de ‘’biologisch ondergoed rocks!’’-rang. Logischerwijze eigenlijk, want dan hebben uw medeburgers de kans zich aan u te spiegelen en daar een positief cijfer voor de ontvangen. Verder bent u natuurlijk de belichaming van de oermens; u ontkent uw instincten niet, u ‘’geniet ten volle’’ van uw leven: ‘’apres nous le déluge!’’ 

Bijkomend is men vanzelfsprekend geen doorwinterde fan van uw ogenschijnlijk belerend gezwets over fruit en wordt uw medebroeder zich pijnlijk bewust van de eigenste positie op de ladder vanwaar men zich inferieur naar beneden geschopt voelt door uw energiemeter. 

In conclusie wil ik u er hartelijk aan herinneren dat de valkuil van de moraalridder groot is en een genomen risico bij welke doorgevoerde overtuiging dan ook. Maak uw deugden nooit irritant en hooghartig, want dan transformeren ze vlug in huichelachtigheid. Zo u streng bent met uzelf, wees dan niet strikt met uw kameraden. Vice versa, behoed u evenzeer: gelijk u de mantel van ethiek heb laten vallen, veins niet dat u hem terug draagt wanneer uw naaste hem driftig tracht aan te passen. 


''We have, in fact, two kinds of morality side by side:

one which we preach but do not practice, and another which we practice but seldom preach. ''

- Bertrand Russell 


14:32 Gepost door Virginia in Filosofie, Gedachtenspinsels | Permalink | Commentaren (3) | Tags: lineaal, moraal, juistheid |  Facebook |

06-02-11

We all end up with half faces. A look upon history and the mankind it has driven.

 

P1040430.jpgP1040431.jpgP1040432.jpg

 

 

 

I am standing in a Greek museum on Samos or another one of 3000 islands in the Aegean. The museums here all look alike anyway; with a big sign that says that the EU gave the Greek a nice cheque to decorate their ancient treasures with wheelchair lifts and marble floors. The sign is in front of every insignificant museum you enter, whether the town is touristy or not, as if it’s sort of a repayment, the acknowledgment that it’s not their treasure. I must say I don’t mind; Greek antique is holy, it couldn’t be preserved too good. So again: I ‘m standing there and I look at another of the tens of hundreds of thousands of forgotten statues that I saw passing in front of my eyes those three weeks on Greek soil. Still, this one doesn’t pass in a glimpse or in a hasty photo; it fascinates me like unknown discoveries in quick visits of another museum sometimes do. I’m looking at the face of what clearly had to depict a woman, but time has made it a ruin, leaving only half the face. At once, sometimes this happens to me, a sentence pops up in my head, one I luckily will not forget: ‘’History all leaves us with half faces.’’ It might not sound right in English, it’s translated from Dutch, but there’s no other way that says it right. I let the sentence roll through my head in a brainwave a second time and I love the way it tastes. There are sentences that just make sense, inexplicably. Though they may not make real sense and yet in that little sniff of non-sense, they reveal something, which captures a whole lot of understanding, a bundle of wisdom, ‘’rightness’’.  You can’t explain it; you can only feel it, feel it! Counts for all of life’s best tricks.

 

I will rethink this phrase over and over (I can’t get enough of the syllables when I create linguistic pottery that’s actually good) and it stays fresh and clear. I think it is a great title to an academic publication by some professor who tries to hide his serious work behind a title that might get everybody to start the first page and to perhaps read even further. But I’m not an historian and I might have a look upon our condition humaine that swings between the Buddha and Jesus version about that there are so many good people that keep the world on turning, there’s hope and everybody just needs love and Rorschach’s vision from Watchmen on the other hand of the doomed and evil billions of ants killing and torturing; that powerless, sick feeling. It depends by the daily fait divers, the people you meet in a flash and the mood. Even if my cynic thoughts are proven wrong every single day by the wonderful, simple beauties I witness, on the other side there are also always proven by a message from outside my bubble or –scarcely- inside of my pretty little world; the image of failing, dreadful species.

The body full of cancers resuscitating itself vigorously with every new sunrise vs. the pure and wide ocean with a few poison drops that do not affect its peaceful stream at all.  

It has been said for a long time that humans made history and although some people surely had their impact it looked more like a blind man throwing paint at a canvas than Vermeer depicting a pearl. We all throw our drop on the paintbrush, willingly or not, on the big drool of past souls and still it always surprises me that in this total confusion of merely things, those random machines actually function. The law of entropy tells us that chaos is much easier as a result than order (because it has a far greater change of existence) and however, my dear, it works. There is network for fixing my bike, teaching me physiology, feeding me, making sure I have toothpaste… It’s remarkable that in all this chaos, this wild stream of an unguided river that rages to an unknown next point, in all this mess, there are quiet organised places, oases of rest and peace. Without all the paranoia, the heartache, the anger, the false hopes and the weakness or with just a sparkle of all that.

Back to my stone cold, carved, half-faced woman. Preserved, yet destroyed, forgotten, yet here for new discovery. A ghost of a past which we will never know, no matter how many of its stones we recapture from the sand with the gentle movement of an archaeologist’s brush. She tries to tell me something, but although I have studied her alphabet, have laid the same words in my mouth as she must once have, we cannot communicate for too much milliseconds divide us, too many gulfs have raised up from the shallow water since she last said the words I hear myself saying. Nevertheless, we do not hear the same words, because we do not have the same ears.

She whispers to me, in a self-created wind of whisper, that you can stumble to live on in history, to mean more than the couple extra genes you mixed, to mean something to someone somewhere sometime, but that your splash of paint is always just half a face. 


 

22:11 Gepost door Virginia in Essay, Filosofie, Gedachtenspinsels | Permalink | Commentaren (1) | Tags: history, greece, ancient |  Facebook |

31-07-10

Het Zelf

 

who am I.jpg

 

 

Wat ben ik? Een goede vraag... Naar een aanhoudende filosofische pennenstrijd die al sinds het ontstaan van dat mysterieuze Zelf aan de gang is, zit niemand echt op mijn bespiegeling over dit aartsmoeilijke vraagstuk te wachten.

Dus nam ik het luie besluit om mijn blog eerst enigszins in de trend van Skynet te vernieuwen; de belachelijk oude artikels zijn verwijderd, dus op een paar citaten en mijn eerste berichtjes na kan u me niet langer op mijn kinderlijke spellingfouten wijzen. De lay-out is ook veranderd en zal voor de een meer ethische waarde hebben dan voor de andere visiteur. U kan zich ook abonneren op een primitieve nieuwsbrief, die ik nog verder wil uitbouwen om u op de hoogte te houden van recente veranderingen en updates. Laat ik na drie weken niet verder om de pot draaien en mij confronteren met die diepe, duistere poel. Een gevreesd onderwerp ontdaan van al het narcisme dat men eraan zal linken: ikzelf.

Wat is het Zelf in relatie tot anderen? Deze vraag prijkt bovenaan mijn warrige nota's van een lang vervlogen filosofievoormiddag. Hij werd op onze ochtendmaagjes geserveerd en in de groep geworpen met tot gevolg een verwarrende, soms off-topic, discussie waarin ik me -daar ik niet echt iets kon toevoegen- niet in mengde, maar wel pende. Ook nu weer voel ik mijn maag, die me waarschuwt om mijn grenzen aanziende taart nu eens te leren erkennen, als ik een prelude van het artikel onafgewerkt post om het toch nog in de maand juli in het archief te persen. Ben ik misselijk? Of ervaart mijn geest de onpasselijkheden van het gevangenschap in mijn lichaam? Terzijde, de dualiteit lichaam - geest is niet in de minste mate verbonden aan de vraag omtrent dat mysterieuze ''IK''. Laten we beginnen bij de puurste vraag in al haar simpelheid. Ook in de filosofie geldt: face your fear. Deze kwestie jaagt mij de angst van denkende vermoeidheid aan.

Wat is het Zelf? Het eerste onderdeel stuit rechtstreeks op een impasse. Om het gemakkelijk voor te stellen verdelen we de standpunten in twee. De ene zal standvastig stellen dat het Zelf, dat wat ons onverhulde Ik maakt, overeenkomt met de metafoor van de steen, een solide ''blok'' waarin wijzelf en anderen het unieke Zelf in uithouwen. We zijn zelf gebeeldhouwde beeldhouwers.

Kamp twee volgt een draad die zich spint waar in de geschiedenis men de vorige vindt en volgt -als ik mij niet vergis- de Schot Hume in zijn stellige stelling dat een rots mens in de branding van vluchtige indrukken een illusie is, het Zelf is zelf niet meer dan een verzameling luchtige, voorbijgaande stroom. Hoe angstaanjagend het ook mag klinken in de oren van wie hoopt dat hij de spons is in de snelstromende rivier van de panta rei rondom hem, ik verschuil mij liever achter de coulissen van het tweede kamp, want hoewel we vast lijken, zijn wijzelf niet minder aan de malende verandering onderworpen dan de flitsende wonderen die onze vliegensvlugge ogen trachten te volgen. In een ontelbaar verleden schreef ik als pientere zevenjarige in een angstaanjagend serieuze toonaard woorden op in een schriftje. Door mijn gangbare verzameling aan halflege, bekladde schrijfschriftjes bladerend, vervult mij een mengeling van schaamte, vrolijkheid en argwaan, maar bovenal vervreemding wanneer ik dat onvolmaakte handschrift zie. Ik ben niet wie ik was.

Niemand maakt mij wijs dat dat kleine meisje niet gemetamorfoseerd is. Nee, het is geen steen die uitgekerfd is in allerlei grillige vormen. Een olifant die kijkt naar zijn tijd als microbe ervaart die vreemde koppeling van een niet te duiden evolutie.

Toch voel ik dat kleine kindje in mij woelen, verbindt dan soms iets meer dan tijd haar en mij zoals de cel de olifant en de microbe?

Is ons verlangen naar een oog waarrond de tornado woelt meer dan een hunkeren naar houvast?

Laten we de polemiek verder kabbelen aan de oever van de geleerde discussies en ons concentreren op de voorwaarden voor een Zelf in dat brede Zijn.

Onontbeerlijk lijkt een bewustzijn zoals de levende wereld dat rondom ons heeft en ik zwijg hierbij over merkwaardige planktonachtige levensvormen en laat geheel bewust het voorvoegsel ‘zelf’ weg in ‘bewustzijn’. Naar mijn dierenliefhebbermening hebben animale wezens namelijk eveneens een Zelf, enkel onderscheiden doordat wij ons van dit Zelf bewust zijn.

Een tweede nood bestaat in interactie met anderen (wezens met een Zelf). Deze interactie is geen directe voorwaarde voor het krijgen van een Zelf, maar is vitaal voor de ontplooiing ervan. Ieder die een Zelf als potentie krijgt ingeboren, is gedwongen interactie te hebben of het Zelf neemt af, vervaagt en lost uiteindelijk op in dat grote Zijn. Dit cruciaal belang maakt de vraag ‘Wat is het Zelf in relatie tot anderen?’ een haast pleonastische vraag , op het eerste zicht zijn het Zelf en de Ander onontbeerlijk verbonden, maar wie goed kijkt, weet dat haast hetzelfde een minieme differentie aanduidt. De limiet tot waar die Ander reikt en het Zelf begint, bevindt zich in een vage schemerzone, een prikkelende kwestie waar ik later nog op terug zal komen.

We zijn in staat min of meer te besluiten dat de Ander fundamenteel is om de vlam van het prille, wankelende Zelf aan te steken. De invloed, grenzend aan de macht die de Ander uitoefent over dat Zelf (geholpen door overige invloeden van buitenaf, niet afkomstig van een ander Zelf) door haar ‘’geworpenheid in de wereld’’ zoals Heidegger dat uitdrukt.

Het uiterste standpunt, dat we bekomen als we deze gedachtegang doortrekken in het lichtjes extremere, is dat de Ander niet instaat voor de ontluiking of vorming van het Zelf, maar ter gehele creatie ervan. Wij delen in de Ander en de Ander heeft deel aan ons. Wij zijn Anderen.

Het is zowat angstaanjagend om te mijmeren dat ons dierbare Zelf, dat kleine stukje waar we zo gretig aanklampen, dat werkelijk eigen en ongedeeld is, dat dit prieelachtige tempeltje telkens een verwijzing naar die buitenwereld, naar de Ander is.

Ik moet bekennen dat die redenering ergens steek houdt; in het dagdagelijkse verwijst mijn gedrag, mijn Ik (überego, ego, id) in principe naar mijn omgeving en haar ingevingen, haar niet aflatend stuurgedrag van subliminale commando’s. Waar ik goed in ben, welke literatuur ik graag opslok, welke noten het liefst in mijn oren klinken; Zij selecteerden en creëerden voor mij. Alles wat ik ben en pretendeer te zijn, zij zijn het.

Voor ik tot mijn persoonlijke antwoord op ‘Wie is het Zelf?’ kom (om de vraag dynamischer te formuleren naar Heideggeriaans voorbeeld), permitteer ik mezelf een nietige parekbasis of uitwijding over onze dierenvrienden en hun Zelf.

Zoals ik eerder meedeelde, staat het voor mij dogmatisch als een rots boven water dat beestjes een Zelf hebben (ter duiding: een Zelf is niet gelijk aan ziel, dat geldt voor dit hele artikel). Van hun bewustzijn moet ik alleman niet meer overtuigen, het ontbreekt hen –in grote mate- aan zelfbewustzijn. Dat duo spillen die de bestaansvoorwaarden van het Zelf zijn: bewustzijn en interactie met de Ander, zijn aanwezig.

Dit menselijke zelfbewustzijn ontbreekt in het dierenrijk omdat het nefaste besef van de eigen sterfelijkheid (binnen het kader van de vergankelijkheid) absent blijft. Telkens we ons oog op waarachtige diertjes laten vallen, merken we op hoe instinctief en primair ze leven, gefocust op slechts het nu zonder meerdere zorgen en een perspectief van een toekomst. Evenmin is het dier zich bewust van de spiegel in het oog van de Ander. ‘’Wat denkt men van mij?’’, een typisch homo sapiens trekje. Dieren verblijven immer in zichzelf en treden niet naar buiten; de spiegelreflex is hen onbekend en onbemind. Wij nemen met fascinatie dat Zelf waar.


‘Wie is het Zelf’ en ‘Wie is het Zelf in relatie tot de ander?’.

Deze twee hersenkrakers zal ik zonder ‘Sein und Zeit’ te hebben gelezen naar mijn beste vermogen van repliek dienen.

Beschuldig me ervan een neurologisch kind van mijn dementietijdperk te zijn, maar genoodzaakt een beeld te gebruiken, compareer ik het Zelf met een schakelnetwerk. Eindeloos, met meer dan een eindeloos aantal connecties spreidt dit netwerk van Zelven zich uit. Het is niet precies te zeggen waar we de grens tussen de ene en de andere trekken. In deze drukke wereld van voortdurende impulsen onderling en binnenin de verschillende Zelven, participeert niet elke schakel. Sommigen zijn uitgeschakeld en als een uit Zijn (en dus niet door de Ander) gecreëerde potentie zijn ze geschapen naar het voorbeeld van de medeschakels. De Ander is nodig om hen te ontluiken, op te starten als het ware. Zonder deze levensimpuls verdwijnt de potentie als een leeglopende noodbatterij. Natuurlijk zijn niet alle Zelven identiek; de mogelijkheden in het Zelf vervat worden door de Ander en later door onszelf naar boven gehaald. In combinatie met een unieke serie impulsen van de Ander en de omgeving waarin het netwerk gedompeld is, geeft dit een uitzonderlijk Zelf. Wonderbaarlijk genoeg is het net de Ander die ons attent maakt op de bezitting van dat Zelf. Eens we dit ontdekken, schermen we ons angstvallig af van die Ander, op zoek naar ironisch genoeg ‘’onszelf’’. We hebben voldoende impuls gekregen om het zelfstandig te redden en die afzondering leidt niet meer onontbeerlijk tot uitdoving.

In het grote mysterie van het in de wereld zijn (dasein), plaatsen we ons buiten dit Zijn waar wij zelf deel van uitmaken en degraderen dit tot subject om onszelf er buiten te plaatsen. We onderzoeken het schakelnetwerk als waarnemer van bovenaf terwijl we er zelf deel aan zijn.

Dit schakelnetwerk als symbool biedt een levendig, vloeiend, niet statisch Zelf met niettemin een vaste, harde (en tegelijkertijd zachte, kneedbare) kern en niet enkel voorbijrazende winden tegen de hemel van het Zelf.

Voor ieder wat wils om het zo te zeggen.


''Why are there beings at all, instead of Nothing?''

- Martin Heidegger

''Wat is, is. Wat is kan niet niet zijn.''

- Parmenides

 

05:11 Gepost door Virginia in Filosofie | Permalink | Commentaren (3) | Tags: zelf, ik, filosofie, heidegger, hume |  Facebook |

26-07-10

Essay: De afgedankte halfgod in de huiskamer

 

televisie.png

‘’He’s not dead yet!’’ Na een paar extra kogels, afgevuurd door een Amerikaanse soldaat, waarbij het lichaam griezelig heen en weer schudt – of is het de stuiterende camera?-, is de dood van de Iraakse gevangene of opstandeling een onweerlegbaar feit.

Vijf minuten later volgt het einde van het zevenuurjournaal. Wat zijn wij verondersteld hiervan te denken, wij Westerse Belgen? Wat vinden mijn ouders met hun 40 jaar wereldervaring hiervan? Wat is de bedoeling van het shockeren van de twaalfjarige die ik op dat moment ben?

De impact van het in breedbeeld tonen van moord op mijn beperkte wereldje, op het bewuste, maar vooral op het subliminale beeld dat ik van Irak zal scheppen, is genadeloos. Zonder gefundeerde feiten, ellenlange studies geschiedenis en politicologie of verre reizen, krijgen we in vlagen opgeraapte fragmenten naar ons hoofd geslingerd. We zijn verondersteld een gefundeerde mening te vormen aan de hand van de clipjes die een paar journalisten selecteren. Zij hebben de gevaarlijke macht om de massa te doen geloven al wat hen dunkt. Die menigte heeft nog iets te zeggen ook en honderdduizenden kelen jouw mening laten verkondigen, er gaat niets boven. Vraag dat maar aan menig dictator.

Ik kan het Midden-Oosten afschilderen als een vreemde woestijn vol terroristen waar we niets te zeggen hebben of als een verwesterende verzameling van oliestaten waar Islamisten op hun retour zijn; als een gekkenhuis of als een populatie van gewone mensen.

Het is een kwestie geworden van knippen, plakken en smakelijk serveren, het liefst met een bekoorlijke soundtrack. Zou een woedegolf zich tot oorlogsstorm transformeren,dan wijzen we waarschijnlijk onze verantwoordelijkheid af  en focussen ons op de media. We zullen hen ervan beschuldigen aan beide kanten onbegrip te hebben gecreëerd. Ze zullen ons riposteren dat ze ons voorschotelden wat onze -door geweld afgestompte- hersenen zo graag wilden zien.

Onze aandacht was zo verzwakt dat enkel realistische marteling ons deed opschrikken vanuit de roes waarin we verkeerden terwijl we het nieuwsgesuis en geruis aanhoorden. Na 9/11 riep de woedende volksstroom om een totaal tapijtbombardement van dat Oosterse gebied. Wie gaf erom of er onschuldige mensen woonden? Onze familie was dood, ons land aangevallen en onze vrijheid bedreigd. Het was onweerlegbaar te zien op de beeldbuis hoe die vreemden daar feestten, feesten deden ze!

Aangespoord door huilende -en achter de schermen zich in de handen wrijvende- presidenten, zetten we de aanval in. Nu, jaren later, zijn de gemoederen bedaard, de doden reeds lang onder de grond en toch blijven we graven delven, want de jongens die zich daarheen laten vliegen, komen in kisten terug. Ons verstand kantelt en, godzijdank, komen er ook andere impressies uit de oorlogsregio; mensen met groentewinkeltjes, schoolkinderen en de speculaties omtrent de oliewinning. Onze stemmen klinken de tegengestelde richting uit, maar het bijennest waar we inzitten, is haast niet meer te ontwarren.

Het Midden-Oosten is een typevoorbeeld van mediazinspeling op ons besef en onze kennis, bijna een clichématig paradigma, waarin goed te zien is hoe in zoveel ‘waarheid’ de waarheid uiteindelijk verdrinkt.

‘’Our daily bread’’, de stille documentaire gefilmd in reflexive mode over de weg die ons voedsel aflegt, bevat het hoogste percentage aan realiteit dat in de beeldbuis past.


Als dit aannemelijk is en in de veronderstelling dat we pas bij het bewijs van objectiviteit onze acties afwegen, waarom eet dan nog niet iedereen vegetarisch/biologisch? Indien ik neerpen dat ‘we’ roepen, doel ik natuurlijk slechts op een paar kelen die van tijd tot tijd een gesmoorde piep laten horen. De protesten tegen het onverdoofd castreren van biggetjes interesseren de massa gewoonweg niet. Die kotelet op hun bord stoot geen snerpende gilletjes uit en je eigen ‘’ lcd Philips ‘’ is met een druk op de knop overgezet op ‘’Thuis’’.

Het aanbod op die dominante link met de wijde wereld zou een weerspiegeling behoren te zijn van de (des)interesses van de doorsneemens. Iedereen klaagt erover dat er niets op tv is en op verveelde momenten, al zappend door het mondiale zenderaanbod op de satelliet, beaam ik dit. Sterker nog, ik maak me bijna zorgen over de condition humaine met die tonnen aan beeldafval die door de ether zweven, alsof de programmamakers hun persoonlijke vuilbak hebben verschoond en het huisvuil -bij gebrek aan een betere stortplaats- dan maar in hun shows verwerkten. ‘’In Beverley Hills, they don't throw their garbage away - they make it into television shows.’’, grapt  Woody Allen en hij kan het weten.

Wat met zijn onvervalste -heden in HD- beelden beloofde tot het ultieme medium uit te groeien, is hier beland als goedkoop entertainment. Na zich ’s avonds  op de zetel te hebben neergeploft, heeft geen mens zin in congorebellen, ‘’De Slimste Mens’’ is desalniettemin wel te smaken.

‘’The war between being and nothingness is the underlying illness of the twentieth century. Boredom slays more of existence than war.", stelt Norman Mailer, Amerikaans schrijver.

Zo is dat profetische doosje een modern Colosseum gebleken; niets meer dan handig vermaak. De evolutie ervan is in een impasse geraakt. Na een hectische werkdag confronteert ons soezen in moeheid ons met de vaagheid van dit verveelde bestaan. Op dat moment springt dat kastje aan en verlicht het de doorligpijnen. Youp Van’t Hek illustreert dit eigenhandig  met het archetype van een bedaagd vrouwtje met een wijsheid die wij in de mantel van complexiteit als simpel ervaren. Het omaatje vertelt hem over een schilderijtje dat boven haar scherm prijkt. Telkens als de aanblik van Gaza en Irak er teveel aan worden, richt ze haar blik op de gebogen vrouw met haar hoofd in haar handen boven haar op zoek naar troost. Ze biecht ook op dat ze dat de laatste tijd frequenter doet, tot op een hoogte waar ze het kunstwerk meer aanschouwt dan de programma’s. Na het overlijden van de 87-jarige erft hij het kunststuk en bemerkt een van schaamte in elkaar gedoken vrouw. Hij vraagt zich oprecht af: ‘’Wat is er toch gebeurd? Hoe zijn we zo ver gekomen?’’

Wat heeft televisie nog voor toegevoegde waarde in ons leven, in tegenstelling tot wat men oorspronkelijk voor ogen had? De functie van pijnstiller? ‘’Television is an anesthetic for the pain of the modern world.’’ , stelt Astrid Alauda. De geloofwaardigheid daalt steeds verder in het negatieve, zodat we zelfs informatieve docu’s niet meer vertrouwen, nu ook dat genre (deels) doorspekt is met opinies.

Het subjectieve doel van de filmmaker en de onvermijdelijke invalshoek; op een onoverzienbare aardbol, zo verwarrend complex, kan men iets enkel begrijpelijk voorstellen door het te belichten met een spot, een hopeloos gekleurde spot en door middel van selectie, verdunning en vergeten. Je kan de brave nieuwsmakers hun knip- en plakwerk vrijwel vergeven.


Natuurlijk daglicht is ver te zoeken in de jungle van de journalistiek, die zich in talloze takken heeft opgesplitst. Het deel dat de deontologie in de vuilbak kiepert en zich focust op het flitshuwelijk van Britney Spears lijkt een vrij recent fenomeen van een handel in roddels, hoewel het spijtig genoeg lijkt alsof niemand deze snapshots wil zien. Gek dan dat die fotograven blijven klikken en week na week de magazines over twee maal niets de winkelrekken doen uitpuilen.

Beroemd worden zit niet langer in het rek van de ongrijpbare dromen, maar belandde in het grabbelvak met kortingsartikelen in een maatschappij waar ‘’reality tv’’ onder de noemer van talentenjachten en huilerige dieet-, nanny-, praatprogramma’s aan ieder de fameuze -en tegelijk zielige- ‘’15 minutes of fame’’ van Andy Warhol schenkt. Wie enkel anorexia en een regionale talkshow op zijn kerfstok heeft, haalt hiermee genoeg in huis om een streekbekendheid te worden. Komiek Alex Agnew beweert in zijn show dat hij zijn nageslacht een dreun zal verkopen onder het opvoedadvies ‘’Een beetje meer ambitie, godverdomme!’’ op de dag dat ze als toekomstdroom het BV-schap koesteren.

Wanneer zulke mopjes geschater in een zaal Vlamingen opwekken, dan mogen we besluiten dat achter de façade van geestigheid een portie aan waarheidsgehalte ruimschoots verborgen zit.

De onaanraakbaarheid van iconen is passé, hun voetstuk opgeborgen. In een vlaag van massale mediageilheid waait er een wind van drugs, alcohol en seksschandalen door Hollywood en de degradatie tot publieke schandpaal is een verrassend gewilde, lucratieve bezigheid. De massa derderangs, wannabe fashionista’s en spierenbulkers hebben gezamenlijk de context zo stevig uit het woord ‘roem’ gerukt dat het niet langer de vraag is wie in de showbusiness de iconen met Marilyn Monroeallure zullen zijn, maar of er überhaupt uit de snelstromende vloed aan pseudobekendheden een gezicht aan de haken van ons geheugen zal blijven hangen.

Iedereen die evenveel scrupules heeft als een marter en bijgevolg niet omkijkt voor een lijntje wit poeder op tijd en stond en een peperdure, geldkloppende rehab(ilitation) achterop, verzekert zich van een wekelijks kiekje op ‘page six’. De ‘flashes’ waarmee dit pulpnieuws flikkerend wordt voorgeschoteld (zie de klikkende paparazzi), zijn een uitwaseming van elke racende vorm van berichtgeving op dit postmoderne tijdsstip. De ‘moderne mens’ -wat een verschrikkelijke term-, hoe geëvolueerd dat ook klinken mag, fronst om geconcentreerd minuut per minuut ‘up-to-date’ te blijven.

‘’Whoever controles the media, controles the mind.’’, profeteerde legende Jim Morrison en hij drukte de vinger daar waar het tegenwoordig steekt. Tot dat niveau zijn de ‘’monstermedia’’ angstaanjagend opgeklommen en zijn wij als gediplomeerde zetelhangers afgezakt met dank aan sensatielust en het motto dat niet alleen ‘’sex sells’’, maar alle prikkende schandalen. Niemand die het verschil bemerkt (in kunde of wil) tussen een opgeblazen ballon en een gevuld exemplaar.

In wezen kijkdieren, zijn wij, homo sapiens sapiens, gebaat bij de hulparm van het beeldbericht, bij uitstek voor wie zijn omgeving (oppervlakkig) durft te bekijken omdat hem dat boeit of om te filteren met het doel zijn gelijk bij te spekken. Het eerste prachtige doel -uit pure belangstelling- is overboord gegooid door de hiervoor benoemde redenen tot vermaak, de tweede -het aanvullen en vastschroeven van je mening- leeft ook nu nog.


Wanneer ik de omroep bezie, laat ik de golf van beeld en geluid lusteloos op me afkomen. Deze overspoeling verkoelt mijn van opgedane kennis nagloeiende en als een spons verzadigde geest en laat spaarzaam druppeltjes achter in mijn geheugen. De functie bestaat uit slapen met ogen open en verantwoordt zich zelden in het bekijken van cultfilms, klassiekers -al spreken we hier wederom binnen de vermakende sector- en documentaires waar mijn leervermogen zich aan opkrikt, zoals onlangs een eerlijke, Britse vrouw die mij een aidspatiënte uit Zimbabwe voorstelde.

Het merendeel van mijn tijd staar ik naar een kleiner scherm, namelijk de pc, een jonger kindje dan zijn zusje, de tv, maar met een minstens even van voorspellingen omgeven geboorte.

‘’Where a calculator on the ENIAC is equipped with 18,000 vacuum tubes and weighs 30 tons, computers in the future may have only 1,000 vaccuum tubes and perhaps weigh 1.5 tons.’’, beweerde iemand in de maarteditie van het tijdschrift ‘’Popular Mechanics’’ uit het jaar 1949. In 1979 sprak Ken Olsen: ‘’There is no reason for any individual to have a computer in his home.’’ Toen een serieuze stelling, vandaag een mopje. Natuurlijk kan je meneer Olsen en zijn standpunt vergeven, niemand had immers gedacht dat het zo’n vaart zou lopen. In het licht van onze serieuze standpunten en met het idee dat deze in de toekomst als uiterst lachwekkend zouden worden bekeken, attendeert het ons op voorzichtigheid van bewering, althans  sommigen ervaren dat zo.

Even later leek het internet het walhalla van alle kennis en connectie; de wereld zou zich onderling verbinden tot in het oneindige, landsgrenzen zouden vervagen en globaliteit zou aan de orde van de dag zijn. Alhoewel ik zoekmachines op mijn blote knieën mag danken voor hun hulp, ben ik tezelfdertijd afhankelijk van de informatie en zelfs lichtjes verslaafd aan sociale netwerksites, zeker wanneer verveling haar slag slaat.

Internet is een veel vertakter medium dan dat restricte, platte doosje en biedt alles aan wat deze planeet in haar mars heeft. Het gevolg: de verwarring stijgt exponentieel met het aantal sites, op het web zijn de afbakeningen voor eens en altijd zoek.

Net zoals tv bleek het wereldwijde web zich niet te ontwikkelen tot wat men dacht te voorzien en biedt het naast tal van oplossingen en ongekende mogelijkheden ook nieuwe vraagstukken en problemen. Het hijst bovendien een hele hoeveelheid ‘’couchpotatoes’’ vanuit hun zetel en laat hen als bewegingsloze ‘’bureaustoelplakkers’’ weer los. De verschuiving naar dit jonge medium begint zich duidelijk af te tekenen in de maatschappij.

De ‘’kleine god in de huiskamer’’ zal misschien op termijn aan verheven status moeten inboeten tot die van halfgod, held of zelfs sterveling en in trend van de individualisering zal men zich wellicht immobiliseren en als een spin vastklampen aan dat ‘’gouden web’’ dat ons de wereld virtueel samenvat en daarvoor niets meer eist dan een klik.

Feit is dat ook de media hier niet aan grip zal inboeten en ons honderden diffuse video’s zal mailen, hierbij geholpen door onszelf die hun getuigenissen neertypen in blogvorm en eindeloos discussiëren op fora. Theses geplet onder antitheses komen onmogelijk tot synthese. De waarheid destilleren zal zijn weggelegd voor ieder met een ontembare drang die zich eraan wil wagen, want zoals Descartes reeds vijf eeuwen vroeger wist, ligt deze onomstotelijk in de diepte.

Zonder zich er een snars van aan te trekken, steekt ze haar besnoerde tong uit en zingt zagerig: ‘’Nanana, jullie kunnen moeilijk mee.’’


Laat dat nu net het gevoel zijn dat niet slechts de oude van dagen treft, maar ook steeds meer verdwaasden die zichzelf gedwongen zien tot terugtrekking.

De lawine aan choquerende netvlieslasbeelden is er eentje om met lede ogen aan te zien. Iets meer gezien van wat de oneindige aarde in haar mars heeft, ouder, maar niet veel wijzer, hef ik mijn schouders op bij de dood van die Iraakse gevangene. De verklaring ontglipt mij, als er al een plausibele justificatie voor het uitzenden van woestijnoorlogen te vinden is. Niet dat ik er veel gedachtenruimte aan heb geschonken, ik weet alleen dat er een ziel minder trappelt. Waarom? Niemand die het weet, de moordenaars nog minder. De beelden vloeien verder.

Dat goddelijke toestel is ons een waar panta rei gebleken, een Heraclitische rivier van een voortdurende maalstroom waar men nooit tweemaal instapt. In tendens met de hedendaagse mode vervuilen we haar schaamteloos.

De ‘visie’ is uit televisie en we houden in onze lege handen een ‘tele’ over, een kijken met die beteuterde blik naar die stralende god die we van zijn hooggetroonde berg naar de aardse ‘Vanity Fair’ hebben gesleurd om ons al dansend te dienen. De afgedankte halfgod mag zich scharen in haar kleine vaste stek in de huiskamer. Vanaf daar slaat hij met leden ogen de nieuwgeborene gade die zich in geen tijd tot rebelse tiener ontpopte. Achter dat woelige droomuniversum van digits en bytes speelt zich een schouwspel af dat onze zeitgeist perfect omkadert.

Terug naar het prille begin, de ‘Sitz im Leben’ van de zenderprofeet. Philo T. Farnsworth had grootse plannen met zijn spiksplinternieuwe vondst; ze zou analfabetisme oplossen en oorlog tot het verleden verbannen. De proximiteit van het meubelstuk zou het complete spectrum in zuivere vorm tot bij ons brengen. Bij haar stille 50ste verjaardag is Farnsworth’ wonderkind opgroeid tot een bebaarde, vervuilde slons, door ons op de postmoderne hoop gadgets gesmeten, zonder enige blijk van emotie beklad en afgedankt.

’The television,

that insidious beast,

that Medusa which freezes a billion people to stone

every night, staring fixedly,

that Siren which called and sang and promised

so much and gave, after all, so little.’’

~Ray Bradbury, The Golden Apples of the Sun

 

12:18 Gepost door Virginia in Essay, Filosofie, Gedachtenspinsels | Permalink | Commentaren (1) | Tags: essay, televisie, media, internet |  Facebook |